— Tjeerd Posthuma(.nl)

Archive
Citaat

“Tjeerd, niet om te slijmen ofzo. Maar ik vind je text echt cool. Hoe verzin je het?!”

Dat zeg ik ook altijd voor de auditie.

Read More

Quote van de week die ik jullie niet wil onthouden:

Context: Inge houd niet zo van vet, niet vanwege het dik worden, maar vanwege het machtige etc.
Situatie: bij oma aan het diner genietend van een lekker toetje met frambozen en slagroom en “iets”.
Inge: “En wat zit er nou onder?”
Oma: “Crème Fraîche”
Inge: “WAT?”
Oma: “Ja, crème fraîche, de yoghurt was op. Oh, en ook koffieroom.”

Read More

Uw ogen betasten mij, totdat ze mijn zwakke punten hebben gevonden.

Eindelijk een doorbraakje, met speciale dank aan Goochelaars en Geesten van Spinvis.

Read More

NINA:Ik zou best met u willen ruilen.
TRIGORIN:Waarom?
NINA: Om er achter te komen hoe het is een beroemd, talentvol schrijver te zijn. Hoe het is om beroemd te zijn. Hoe voelt dat, beroemd zijn?
(…)
TRIGORIN: Wat is er nou voor moois aan? Kijkt op zijn horloge. Ik moet gaan schrijven. Neem me niet kwalijk, ik heb geen tijd… Lacht. Je hebt, zoals dat heet, mijn gevoelige plek geraakt, en ik begin me op te winden en een beetje boos te maken. Maar goed, laten we het hebben over mijn prachtige, stralende leven… Waar zullen we eens mee beginnen? Denkt even na. Er bestaan obsessies waarbij iemand bijvoorbeeld dag en nacht aan de maan denkt, zo’n maan heb ik ook. Dag en nacht word ik door één gedachte beheerst: ik moet schrijven, ik moet schrijven, ik moet… Nauwelijks heb ik een novelle af of ik moet alweer een andere schrijven, dan een derde en na die derde weer een vierde… Ik schrijf maar door, als een postpaard, en ik kan niet anders. Wat is daar voor prachtigs en stralends aan, vraag ik je? O, wat een waanzinnig leven! Nu ben ik hier met jou, ik vind het opwindend, en intussen heb ik voortdurend in mijn achterhoofd dat er een onafgemaakte novelle op me lig te wachten. Ik zie een wolk die op een piano lijkt. En ik denk: ik moet ergens in een verhaal gebruiken dat er een wolk overdreef die op een piano leek. Het ruikt naar heliotroop. En meteen denk ik: onthouden, die weezoete geur, dat paars, die weduwenkleur, dat moet ik gebruiken bij de beschrijving van een zomeravond. Ik laat me geen zin, geen woord van jou en van mijzelf ontgaan, ik haast me alle zinnen en woorden in mijn literaire schatkamer op te slaan, wie weet komen ze nog eens van pas! Zodra ik klaar ben met mijn werk, ren ik naar de schouwburg of ga ik vissen: even ontspanning, vergetelheid, maar nee, als een zware kanonskogel komt er een nieuw idee voor een verhaal door mijn hoofd gerold, en ik word naar mijn bureau getrokken en ik moet weer snel schrijven, schrijven. En zo gaat het altijd en eeuwig, ik gun mezelf geen rust, en ik voel dat ik mijn eigen leven verbruik, dat ik om honing te geven aan een onbekend iemand mijn beste bloemen van hun stuifmeel beroof, de bloemen zelf afruk en de wortels vertrap. Ben ik gek? Gedragen mijn vrienden en verwanten zich tegenover mij als tegenover een gewoon iemand? ‘Wat schrijf je? Waarmee ga je ons verblijden?’ Altijd hetzelfde, altijd hetzelfde, en het lijkt wel of de aandacht van mijn vrienden, die loftuitingen en die geestdrift allemaal bedrog is, ze bedriegen me als een zieke, en soms ben ik bang dat ze me van achter zullen besluipen en dat ze me zullen grijpen om me als Poprisjtsjin in het gekkenhuis te stoppen. Ook in mijn jonge jaren, de beste jaren, toen ik net begon, was mijn schrijverschap een ware kwelling. Een jong schrijvertje voelt zich, voorral wanneer het hem niet meezit, onhandig, schutterig, overbodig, zijn zenuwen zijn geprikkeld, tot het uiterste gespannen; hij is niet weg te slaan bij mensen die iets met literatuur, met kunst te maken hebben, hij wordt hier herkend, door niemand opgemerkt, hij is bang om de mensen recht in de ogen te kijken, als een verstokte speler die geen geld heeft. Ik heb mijn lezers nooit gezien, maar om de een of andere reden heb ik me ze altijd voorgesteld als onvriendelijk en wantrouwig. Ik was als de dood voor het publiek, en wanneer er weer een nieuw stuk van me in première ging, dan had ik iedere keer weer de indruk dat alle donkere mensen me bekeken met haatdragende blikken en alle blonde met koude onverschillige. O, wat vreselijk! Wat een kwelling!

De Meeuw, tweede bedrijf, Anton Tsjechov, vertaald door Yolanda Bloemen en Marja Wiebes

En zo neemt Tjsechov het voor zichzelf en zijn collega’s op. Trigorin raast nog even door tegenover Nina. Heeft hij gelijk? Een beetje, ik zie het niet als een kwelling. Ook ik heb er soms last van, ben dan bang dat ik mensen meer als dramatis personae ga zien, niet als vrienden, familie, kennissen, etc. Het scheurt je ietsje los van de wereld, waardoor je hem observeert, dat is handig, maar kan ook minder leuke gevolgen hebben. Je gaat misbruik maken van je eigen emoties. Liefdesverdriet? Ah, mooi!

En nee het is geen keuze, je schrijft altijd of je schrijft nooit, er bestaat niks daartussen in. Dus ik schrijf, en ik schrijf graag.

Read More

Het zou soms aardig zijn als de mensen het theater verlaten, de stoep aflopen en geraakt worden door een taxi. Ik wil niet dat ze echt geraakt worden, maar het is in ieder geval beter dan dat ze het theater verlaten met als enige gedachte: ‘Waar heb ik mijn auto gelaten?’

Read More